Thess. 4, 1.9-12 / Luc 20,20-26
Jezus zei tegen de schriftgeleerden en de hogepriesters: “laat mij eens een binaire zien; van wie zijn de afbeelding en het opschrift op deze munt?” “Van de keizer”, zeiden ze. Daarop zei hij tegen hen: ” Geef wat van de keizer  is aan de keizer en geef aan God wat God toebehoort.”

I

Als we dit horen is het net of Jezus aan de hogepriesters en schriftgeleerden vroeg: “Er staat toch een afbeelding van de keizer op een dinarie, nietwaar? Dus komt de dinarie hem toe, geef hem terug aan wie hij toebehoort.” Maar wie is de drager van de beeltenis van God? Waarop staat God afgebeeld? Het antwoord kan men horen in stilte die op de vraag volgt… Wie is de drager van de beeltenis van God? – De mens!- Jij, jij en jij… of je nu hogepriester, schriftgeleerde bent of niet. Iedere mens is drager van de beeltenis van God, in het bijzonder Jezus die in zijn menselijke hoedanigheid de perfecte beeltenis van zijn Schepper is. We zouden het hierbij kunnen laten. Als je de vraag van Jezus hebt gehoord en hem ter harte hebt genomen, heb je de essentie begrepen: “Geef aan God dat wat zijn beeltenis draagt, dat wil zeggen heel jezelf, je hele leven dat je geschonken is.” 

II

De spionnen die van de hogepriesters en schriftgeleerden de opdracht kregen om Jezus in de val te laten lopen, stellen hem een gesloten vraag over wat toegestaan is en wat verboden. “Mogen wij belasting betalen aan de keizer, ja of nee?” Zo is er altijd het risico dat de wet als een soort derde, abstracte, persoon wordt gebruikt, als een muur tussen twee levende wezens. Maar de wet is een regel die niet noodzakelijkerwijze een keurslijf is van wat toegestaan is en verboden. In beginsel is een wet een hulpmiddel in de relatie tussen mensen, tussen de mens en God, of tussen de mens en de schepping. Een wet die wordt opgeschreven is een ervaring, samengevat in enkele zinnen zodat hij wordt onthouden en doorgegeven! …een goede ervaring, een waarschuwing of een verbod bedoeld om het leven te beschermen… “Mogen we wel of niet belasting aan de keizer betalen?” Jezus behandelt deze vraag heel afstandelijk en vraagt of hij een van die dinarien waarmee belasting moet worden betaald, mag zien. Stilte, gerommel tussen de mensen die Jezus de vraag stelden totdat een van hen zijn dinarien laat zien. Zo kan iedereen zien waarhet echt over gaat. Niet over iets wat men zich voorstelt, niet iets abstracts, geen vooringenomen interpretatie. Midden in de menigte gaat het dus over een munt waar het portret van de keizer op staat.  Dit kleine bescheiden voorwerpje gaat dus terug naar de keizer. Dat is van een heel andere orde dan een mens – met al zijn eigenheid en kleine wereldje – die gevraagd wordt naar God, waarvan hij/zij de beeltenis draagt, terug te gaan.

III

Zusters en broeders, laat de woorden van Jezus goed in je doordringen. “Geef terug aan de keizer, geef terug aan God!” GEEF TERUG!   Hier zijn we in het gebied van giften, niet van geboden en verboden. U vraagt zich af: “Giften? Als het over belasting gaat?” – Ja, zover kan vrijheid gaan. Een ware uitdaging: ik ben vrij om iets aan de keizer te geven, vrij – binnen grenzen – om belasting te betalen, want zelf behoor ik in zijn geheel aan God. Mijn “ik”, geschapen en benoemd door God, geeft zichzelf aan Hem, schepper van al het leven! En deze fundamentele gift plaatst en verklaart al mijn andere giften. Ik behoor aan God die mij vrij maakt; ik geef, ik zeg dank aan hem die mij alles geeft en hierdoor vallen alle andere relaties op zijn plaats. Ik betaal belasting aan de keizer, maar behoor tot God. Ik betaal de keizer wat hem toekomt, maar ik geef God mijn hele persoon en leven. In “onderwerping” aan God onderwerp ik me aan de macht van de keizer, waardoor het een heel ander soort gift wordt. Maar op de dinarie staat ook nog een inscriptie. Deze inscriptie benadrukt het probleem van de vraag die door Jezus wordt gesteld. De inscriptie wekt de pretentie dat de keizer als een god wordt erkend. Kunnen wij vanuit de juiste invalshoek kijken naar de manier waarop Jezus het beeld heeft gebruikt? “De inscriptie op de dinarie is van de  keizer. Hij reageert erop. Maar wie draagt de inscriptie van God en wie reageert erop?” Een profeet voorspelt het duidelijk: ” De dag komt en hij is er al, dat ik mijn wet niet op stenen tafelen zal schrijven maar op tafels van vlees, want ik graveer mijn Wet in jullie harten, zegt de Heer.” Zusters en broeders, wie anders dan het volk, dat aan de lippen van Jezus hangt, ontvangt wat God in het hart van de mensen heeft gegraveerd. Het werk van God wordt in Jezus vervuld: mensen worden aan God, wiens beeltenis zij dragen, gegeven door het woord dat Jezus in hun hart graveert. Door de geschiedenis heen hebben de meest authentieke, grote getuigen (bekend of onbekend) zijn levenswet vervuld door de beweging van het geven: zelfs in tijden van onderdrukking, onrechtvaardigheid en levensbedreigende omstandigheden, hebben zij een manier gezocht en gevonden om aan God te geven wat hem toebehoort, naar zijn beeltenis te leven, de nacht met zijn schijnsel te verhelderen. “Laten wij op onze beurt datgene aan God geven wat zijn beeltenis draagt, dat wil zeggen onszelf, onze manier van omgaan met het leven dat ons gegeven is.” Amen